Van ain pronkjewail in golden raand
De ontluiking van de bloem die Yir’at ‘Adonay heet, moet gedateerd worden in 1971. Ama. Willy ten Hoeve leest in een kerkblaadje over het bestaan van de C.S.F.R. en bezoekt nog in datzelfde jaar de zomerconferentie. De landelijke propaganda-commissaris brengt geneeskundestudent am. Erwin Smelt met haar in contact. Am. Erwin kent op zijn beurt rechtenstudent en oud-klasgenoot am. Wim van Leussen. Via dominee T. Poot, destijds predikant van de Nederlands Hervormde kerk in Groningen, en via contacten binnen de Gereformeerde Gemeente sluiten nog een paar studenten zich aan bij het drietal. Na de zomer in 1971 starten ze gezamenlijk een bijbelkring. De basis voor Yir’at ‘Adonay is gelegd.

Het eerste voorzichtige contact tussen het groepje christen-studenten en de C.S.F.R. is er in 1972. In augustus spreekt de propaganda-commissaris van het landelijk bestuur in De Civitate de hoop uit dat de kring in Groningen in de toekomst zal uitgroeien tot een C.S.F.R.-dispuut. In 1973 wordt het contact serieuzer. De Groningse bijbelkring heeft inmiddels het lidmaatschap van de C.S.F.R. aangevraagd, want schrijft ama. Willy ten Hoeve in De Civitate, ‘we willen graag contact met gelijkgezinde christenstudenten.’

Of de liefde wederzijds is moet nog blijken. Een afvaardiging van het landelijk bestuur bezoekt de bijbelkring. De kennismaking valt alleszins mee: de Groningse bijbelkring is een ‘goed C.S.F.R.-iaanse kring’, schrijft de landelijke fiscus in januari 1973. Er bestaat echter nog een numerieke belemmering om tot de oprichting van een Gronings dispuut over te gaan: de kring telt acht leden, terwijl artikel 37 van de statuten vermeldt dat tien het vereiste aantal is. Voorlopig wordt de kring dan ook ‘dispuut in oprichting’ genoemd.

Het schijnt de leden van de bijbelkring weinig zorgen te baren. Het groepje studenten groeit uit tot een hechte vriendenkring. Het besef als toekomstig dispuut deel uit te maken van een landelijke vereniging, met allerlei afdelingen in het land, was zo klein als een mosterdzaadje, schrijft am. Jan Steven van der Kolk in de lustrumbundel van 1986. Hij meende in de oprichtingstijd zelfs dat het landelijk bestuur uit was op een eigen succesje: ‘We konden ons niet aan de indruk onttrekken dat de toenmalige besturen graag in de C.S.F.R.-annalen zagen bijgeschreven dat in ‘hun’ jaar een nieuw dispuut kon worden geïnstalleerd.’

In het najaar van 1974 schrijft de landelijke praeses hoopvol: ‘Een voor ons Civitas erg prettig bericht: in Groningen hebben zich vier aspirant-leden aangemeld. Als ik me niet vergis, zit er een goede kans in dat ‘Groningen’ dit jaar een zelfstandig dispuut wordt.’ Maar aan het minimaal vereiste aantal leden werd ook in dat jaar nog niet voldaan.

Het Groningse dispuut is inmiddels op elke landelijke vergadering onderwerp van discussie. Ook op de vergadering van het f.t.-landelijk bestuur met de praesides van alle disputen op 31 mei 1975 in Utrecht, wordt de situatie in Groningen besproken. De notulen vermelden onder het kopje ‘dispuutsleven’: ‘Men acht daar de sfeer op landelijke C.S.F.R.-vergaderingen afwijkend van de plaatselijke en acht het te ‘theologisch getint’. Duidelijk is dat aan Groningen iets gedaan moet worden.’

Am. Erwin Smelt schrijft in zijn eerste praesidiaal in De Civitate in september van 1975 onder het kopje ‘dispuut in oprichting’ dat het een belangrijk jaar wordt, aangezien de hoop aanwezig is dat de kring dispuut zal worden. Nog steeds zijn er echter te weinig leden. Vermanend spreekt am. Erwin daarom zijn bijbelkringgenoten toe:  ‘Wij wijzen degenen die meedraaien en nog geen lid zijn er met nadruk op, dat we verwachten dat ze lid worden va n de C.S.F.R. Je kunt toch niet jaren meedoen aan en profiteren van de activiteiten van een vereniging zonder dat je lid wordt.’

Twee maanden later lijkt ook de praeses van het dispuut in oprichting moedeloos te worden. Het praesidiaal van december toont een mengeling van teleurstelling en frustratie:  ‘Op 6 november was het dan zover dat we het landelijk bestuur in Groningen op bezoek kregen. Jammer dat er van ons zo weinig waren, en dan zijn we nog wel een groep die dispuut wil worden.’

Zijn voorstel om bij verstek leden te installeren, wordt door het landelijk bestuur afgewezen. (‘Onze president was bang voor een precedent, maar ik (de delinquent) zag het meer als een incident.’) Dringend roept hij de ‘stadjers’ op tot het bezoeken van de Winterconferentie, opdat de Bijbelkring eindelijk een volwaardig C.S.F.R. dispuut kan worden. ‘Ondanks dat het voor verschillende van jullie in verband met tentamens moeilijk zal zijn om naar de Winterconferentie te gaan, wil ik jullie hartelijk oproepen, om toch te gaan en lid te worden. Op deze conferentie zal hopelijk de hamerslag vallen over ons dispuut-worden.’

Donderdag 15 mei 1976 is het eindelijk zo ver. Na de plaatselijke oprichting op 21 april van dat jaar worden niet op de winterconferentie – zoals am. Erwin zo graag gewild had, maar op de paasvergadering tien leden uit Groningen geïnstalleerd: ama. Germa van de Kamp, am. Johan Kruijt, am. Matthijs Janssen, ama. Dicky Palland, am. Lourens Post, ama. Gerda Ronde, am. Jan Ronda, am. Jan van der Steege, am. Johan Visser en am. Klaas Veldman. Geheel volgende de Civitas-mores schrijft abactis Gerda Ronde in De Civitate: ‘Amicae, amici en verder belangstellenden, Het is mij een genoegen U mee te delen dat sinds 15 mei jl. het dispuut in oprichting te Groningen het predikaat ‘in oprichting’ kwijt is. Het nu volwaardige dispuut heeft als naam Yir’at ‘Adonay (zie de vreze des Heeren is wijsheid. Job 28: 28).’